Ik wist jarenlang niet waarvan mijn batterij oplaadde. Ik wist vooral wanneer ze leeg was.
Als iemand me in de eerste jaren van het moederschap vroeg wat ik graag deed om te ontspannen, had ik daar eigenlijk geen deftig antwoord op. Slapen, waarschijnlijk.
Alleen naar de supermarkt gaan voelde op sommige dagen ook verdacht veel als vrije tijd. En eens naar het toilet kunnen zonder dat er iemand aan de andere kant van de deur “mamaaaa” riep, kwam aardig in de buurt van wellness.
“Je moet ook tijd maken voor jezelf”, hoorde ik weleens. Maar stel dat iemand je plots twee uur cadeau doet: weet je dan ook wat je met die twee uur moet doen om er daadwerkelijk van op te laden? Ik wist dat lange tijd niet zo goed. Misschien omdat er niet alleen minder tijd was voor mezelf. Ik was zelf ook veranderd.
Moeder worden maakte stukken in mij wakker waarvan ik voordien niet eens wist dat ze bestonden. Ik keek anders naar mijn eigen jeugd, naar hoe ik was grootgebracht, naar wat ik wilde meenemen en wat ik anders wilde doen.
Gevoeligheden die ik vroeger niet kende, werden plots voelbaar. Er was niet alleen een kind geboren; ergens was ook een stille verbouwing van mezelf bezig. En zo’n verbouwing vraagt energie.
Ook mijn lichaam deed intussen vrolijk mee. Zwangerschappen, bevallingen, borstvoeding, slaaptekort, een cyclus die verdwijnt en terugkomt, hormonen die alle kanten uitgaan. We weten ondertussen behoorlijk wat over de impact daarvan, en toch heb ik het gevoel dat veel vrouwen de concrete ervaring ervan behoorlijk alleen doormaken. Je merkt dat je draagkracht verandert en probeert ondertussen uit te zoeken wat nu eigenlijk speelt. Is dit slaaptekort? Zijn dit hormonen? Ben ik veranderd? Of ga ik al maanden over mijn grenzen?
Ik heb me lange tijd een soort wandelend lijk gevoeld, met watten in mijn hoofd. En dan kwam het advies: “Je moet rusten.” Uiteraard. Maar ook rust kan een idée fixe worden. Je ligt om 22.30 uur in bed te berekenen hoeveel uur slaap je nog kunt halen als je nú in slaap valt. Om 23.14 uur is dat al wat minder. Om 00.07 uur begint morgen er ronduit zorgwekkend uit te zien. Bijzonder rustgevend allemaal.
En voor iemand denkt: blijf dan toch gewoon thuis. Dat wilde ik ook niet. Ik voelde me soms verschrikkelijk moe en deed in diezelfde periode professioneel dingen die ik waardevol vond. Werk kostte energie, maar gaf me ook iets. Ik kon er denken, bijdragen, iets betekenen en mezelf ontwikkelen. Dat deel van mezelf wilde ik helemaal niet kwijt.
Dus begon ik beter te letten op wat me helpt, al weet ik vaak pas achteraf wat werkt. Het vraagt dat ik even voel wat er speelt en vervolgens iets probeer. Soms ga ik liggen en merk ik dat ik eigenlijk naar buiten moest. Soms begin ik te schrijven en blijkt mijn hoofd daarvoor te vol. En soms voelt een avond scrollen even als rust, tot ik achteraf denk: nope, dit was niet wat mijn batterij nodig had.
Batterij-kennis, noem ik het maar. Geen handleiding die ik eindelijk gevonden heb, eerder iets wat ik al doende leer. Vrije tijd en opladen blijken niet vanzelf hetzelfde, en wat vandaag helpt, kan morgen weer anders zijn.
Tegelijk is er iets wat me stoort aan het advies om beter voor mijn batterij te zorgen.
Als ik eenmaal ontdek waarvan ik oplaad, moet er ook nog ruimte zijn om dat te doen. En als ik voortdurend verantwoordelijk blijf voor alles wat ondertussen verder draait, is zelfs een vrij uur niet altijd echt vrij. Het gaat dus niet alleen over wat ik met mijn tijd doe, maar ook over wat er op de rest van de dag in mijn hoofd zit.
Bij ons thuis is die verdeling onderwerp van gesprek. We nemen allebei veel op, ieder op onze manier, en toch merk ik dat de regie rond de kinderen vaak in mijn hoofd blijft zitten. Dat valt niet goed uit te drukken in een optelsom van taken. Soms voelt het voor mij niet evenwichtig, en dan praten we erover en sturen we bij. Dat gesprek helpt, ook als het niet meteen alles oplost.
Ik merk ook hoe hardnekkig het idee is dat een mama nu eenmaal beter weet wat haar kind nodig heeft. Maar een papa kan evengoed zorgen en de regie opnemen. Als we bij een ziek kind meteen naar mama kijken, wordt die aanname telkens opnieuw bevestigd, ook wanneer geen van beide ouders die keuze bewust gemaakt heeft. Dat is iets wat ik zelf ook wil blijven bevragen.
Rondom ons zie ik gezinnen waarin het heel anders loopt. Mensen hebben andere jobs, mogelijkheden, wensen en behoeften. Ik denk niet dat er één verdeling bestaat die voor iedereen klopt. Maar hoe kom je erachter wat voor jullie werkt als het gesprek erover nooit gevoerd wordt, of dichtgaat zodra iemand zegt dat het niet goed voelt?
Hetzelfde geldt buiten het gezin. Als iemand het geheel niet meer gedragen krijgt, kijken we snel naar wat zij kan schrappen. En als ze graag werkt, wordt dat deel soms gelezen als ambitie of status. Terwijl je evengoed kunt vragen hoe haar werk georganiseerd is, wat haar leidinggevende kan doen, welk netwerk er is en wat er thuis anders kan. Stoppen kan absoluut de juiste keuze zijn, maar het hoeft niet de eerste oplossing te zijn die anderen voor haar bedenken.
Misschien willen vrouwen niet simpelweg “te veel”. Misschien willen we ook dingen behouden die ons iets geven, terwijl andere dingen meer energie vragen dan van buitenaf zichtbaar is. Dan helpt het om jezelf te leren kennen, maar ook om samen te blijven praten over wie wat draagt en wat er rondom je kan bewegen.
Ik zoek dus nog altijd uit wat mijn batterij nodig heeft. Soms ontdek ik dat pas nadat ik het verkeerde stopcontact heb geprobeerd. En tegelijk wil ik kunnen blijven vragen wat ik graag wil behouden, wat ik zelf anders kan doen en wie er mee kan bewegen. Want hoeveel rust ik ook neem: ik hoef niet in mijn eentje de stroom voor alles te leveren.
